Biografie

Ingrid Jonker was de tweede dochter van Abraham H. Jonker, een schrijver die politicus werd voor de Nasionale Party, en Beatrice Cilliers.

ingrid3

Haar vader verliet haar moeder nog voor haar geboorte; samen met haar moeder en haar zus Anna trok ze in bij haar grootouders op een boerderij nabij Kaapstad. Met haar diep gelovige grootmoeder bezocht Ingrid veel religieuze bijeenkomsten, waar ze gegrepen werd door de wonderlijke verhalen en taal van de bijbel. Op haar zesde begon ze zelf gedichten te schrijven. Na het overlijden van de grootvader zwierven de vier vrouwen door Kaapstad, zonder vast inkomen. Haar geesteszieke moeder overleed in 1943, waarop Ingrid en haar zus bij hun vader en zijn inmiddels gestichte gezin kwamen te wonen.

De meisjes werden nauwelijks geaccepteerd in hun nieuwe gezin. Ingrid kreeg geen goede band met haar vader, een gegeven dat gedurende de rest van haar leven als een schaduw over haar zou hangen. Ze zette het dichten voort, en zocht op haar twaalfde contact met D.J. Opperman, een dichter en schrijver die veel invloed op haar werk zou hebben. Op school ging het goed, maar van haar vader en stiefmoeder mocht ze niet verder studeren.

In 1949 had ze een bundel gereed, Na die somer, maar ondanks interesse van uitgevers werd de bundel niet gepubliceerd. Geld verdiende ze met werk bij drukkers, uitgevers en boekwinkels. Ook volgde ze een cursus poëzie. Haar eerste publicatie werd in 1956 de bundel Ontvlugting, opgedragen aan haar vader die het werk echter afkeurde. In dat jaar huwde ze de aanzienlijk oudere schrijver Pieter Venter, met wie ze in Johannesburg ging wonen; in 1957 werd hun dochter Simone geboren. Het werd geen gelukkig huwelijk: Jonker klaagde over eenzaamheid en leed aan depressies. Jonker en Venter scheidden in 1960; zij ging met haar dochter terug naar Kaapstad.

Ingrid Jonker behoorde tot een groep kunstenaars waaruit de beweging van de Sestigers zou ontstaan. Ze verzetten zich onder meer tegen de censuur die de regerende Nasionale Party oplegde – een beleid dat mede door Ingrids vader Abraham werd uitgevoerd. De politieke onenigheid dreef vader en dochter nog verder uiteen. De censuur werd mede ingegeven door de kritiek op de regering die losbarstte vanwege de gehate pasjeswetten en na het bloedbad in Sharpeville, in 1960. Jonker had daarover het gedicht Die kind (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga) geschreven. Door haar kritische houding ten opzichte van de apartheid lukte het haar jarenlang niet om een nieuwe bundel gepubliceerd te krijgen.

Psychische problemen leidden enkele malen tot opname in psychiatrische inrichtingen, ze leed net als haar moeder aan manische depressiviteit. In 1961 werd ze voor het eerst opgenomen, nota bene in Valkenburg, de kliniek waar haar moeder was overleden. In die tijd had ze verhoudingen met de schrijvers André Brink en Jack Cope. Brink was getrouwd en Cope was twintig jaar ouder. Een zwangerschap leidde tot een abortus, een nieuwe aanslag op haar weinig stabiele geestelijke gezondheid.
In 1963 verscheen dan toch de bundel Rook en oker, die enthousiast werd ontvangen in liberale kringen. Voor de bundel ontving ze in 1964 een prijs van de Afrikaanse Pers-Boekhandel. Daardoor en door een studiebeurs van de Anglo American Corporation kon ze een lang gewenste reis naar Europa maken, waarbij ze onder anderen de in Parijs wonende schrijver en dichter Breyten Breytenbach ontmoette. Na een breuk met reisgenoot Brink, die uiteindelijk voor zijn vrouw koos, stortte ze in en moest ze in Parijs worden opgenomen.

Terug in Zuid-Afrika bleef ze depressief. In de winternacht van 19 juli 1965 verliet ze blootsvoets de kliniek waar ze was opgenomen. Een politie-agent zag haar en bracht haar terug, maar even later wist ze alsnog het strand van Drieankerbaai te bereiken en liep ze de zee in. Haar levenloze lichaam spoelde aan op het strand. Naar verluidt reageerde haar vader op het bericht van haar dood met de uitspraak “Voor mijn part gooien ze haar weer terug”.

 

Ingrid Jonker (19 September 1933 – 19 July 1965) (OIS), was a South African poet. Although she wrote in Afrikaans, her poems have been widely translated into other languages. Jonker has reached iconic status in South Africa and is often called the South African Sylvia Plath, owing to the intensity of her work and the tragic course of her turbulent life.

Childhood and early career
Jonker was born on a farm in Douglas, Northern Cape. She was the daughter of Abraham Jonker and Beatrice Cilliers. Her parents separated before she was born, and Jonker’s mother moved back home with her two daughters. Jonker’s grandparents moved to a farm near Cape Town. Five years after the move, her grandfather died, leaving the four women destitute.
In 1943, Jonker’s mother died. Jonker and her older sister Anna were then sent to Wynberg Girls’ High School in Cape Town, where she began writing poetry for the school magazine.[1][2] They later moved in with their father and his third wife and their children. The two sisters were treated as outsiders, which caused a permanent rift between Jonker and her father.
Jonker started writing poems when she was six years old and, by the age of sixteen, she had started a correspondence with D.J. Opperman, South African writer and poet, whose views influenced her work greatly.
Her first collection of Afrikaans poems, Na die somer (“After the summer”) was produced before she was thirteen. Although several publishers were interested in her work, she was advised to wait before going into print. Her first published book of poems, Ontvlugting (“Escape”), was eventually published in 1956.

Adulthood and career
Jonker married Pieter Venter in 1956, and their daughter Simone was born in 1957. The couple moved to Johannesburg, but three years later they separated. Jonker and her daughter then moved back to Cape Town.
Her father, already a writer, editor and National Party Member of Parliament, was appointed chairman of the parliamentary select committee responsible for censorship laws on art, publications and entertainment. To his embarrassment, his daughter was vehemently opposed to these laws and their political differences became public. In a speech in parliament Jonker’s father denied her as his daughter. During the same time period she had affairs with two writers, Jack Cope and André Brink. One of these affairs resulted in a pregnancy and she underwent an abortion (a crime in South Africa at the time). The mental distress of her father’s rejection and the abortion contributed to her decision to enter the Valkenberg Psychiatric Hospital in 1961. (Jonker’s mother had died at Valkenberg several years before.)

Jonker’s next collection of poems Rook en oker (“Smoke and Ochre”) was published in 1963 after delays caused by the conservative approach of her publishers. While the collection was praised by most South African writers, poets and critics, it was given a cool reception by the more conservative white South African public. Thereafter she became known as one of the Die Sestigers, a group that also included Breyten Breytenbach, André Brink, Adam Small and Bartho Smit, who were challenging the conservative Afrikaans literary norms at the time.

Rook en oker won Jonker the £1000 Afrikaanse Pers-Boekhandel (Afrikaans Press-Booksellers) literary prize, as well as a scholarship from the Anglo American Corporation. The money helped her to realize her dream of travelling to Europe, where she went to England, the Netherlands, France, Spain and Portugal. She asked Jack Cope to accompany her, but he refused. Jonker then asked André Brink to join her. He accepted and they went to Paris and Barcelona together. During the trip Brink decided against leaving his wife for Jonker and went back to South Africa. Jonker then cut her tour short and returned to Cape Town.
Jonker had started writing a new collection of poems just before her death. A selection of these poems was published posthumously in the collection Kantelson (“Toppling Sun”). She then witnesses a shattering event: a Black baby was shot in his mother’ arms… She underlined from Dylan Thomas: “after the first death, there is no other”. And she wrote: “Die kind (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga)” (“The child who died at Nyanga”).

Dead
During the night of 19 July 1965, Jonker went to the beach at Three Anchor Bay in Cape Town where she walked into the sea and committed suicide by drowning. On hearing of Jonker’s death, her father reportedly said: “They can throw her back in the sea for all I care.”.